Maand: september 2020

Taaldrab 39: Pleidoor

Huh. Zojuist lees ik in een nieuwsartikel het woord pleidooi geschreven te zijn geworden als pleidoor. Op de site zelf is het inmiddels aangepast, maar in het zoekopdracht-resultaat staat hij nog:

Hah. Maf. Tja. Typfout, kan natuurlijk. Maar een goegeltje wijst uit dat hij daar nét iets te intrigerend vaak voor voorkomt. Voorbeelden hier, hier, hier, hier, daar, etc.

Dan rijst natuurlijk de vraag, hoe komt zoiets te berde? Ik zie zo gauw even de volgende mogelijke verklaringen:

  • Toch een typfout. Al zitten de r en de i daar wel wat ver voor uit elkaar op het toetsenbord.
  • Een OCR-fout. De i en de r kunnen in zowel druk als handschrift best op elkaar lijken, zeker voor een scanner. Gaat dan ook regelmatig scheef in digitale repositoria als dbnl en Delpher, maar dat verklaart uiteraard niet de gevallen van niet-gescande herkomst.
  • Oprecht denken dat je het zo schrijft, als gevolg van de eind-r uitspreken als een j en de oo in ooi als de oo in oor. Maar dan moet je wel binnen één woord een Goois en een Fries accent tegelijk hebben; misschien niet enorm waarschijnlijk.
  • Oprecht denken dat je het zo schrijft, onder invloed van bijvoorbeeld verwante ouderwetsige ambtstermen als rekwisitoor.

Tja, wie zal het zeggen. Misschien is er onder mijn lezers inderdaad iemand die nu een “Serieus? Ik dacht dat je dat zo schreef”-erlebnisje beleeft, en zo ja hoor ik dat graag. Uw oprechtheid zal niet worden behoond want wat op de korte schaal een fout heet heet op de lange schaal evolutie en dan vinden we het ineens allemaal machtig mooi want kijk die archaeopteryx eens veren hebben terwijl zijn matties de hele tijd zaten van juh wat heb jij nou voor domme dingen aan je armen. Dus.

Als het inderdaad een gevalletje evolutie is zou je het verschijnsel ook in vergelijkbare context verwachten, want zo doet taal. Alleen zijn er voor zover ik kan graven niet echt lekkere kandidaten voorhanden: ik vermoed dat soortgelijke uit het Frans ontleende woorden als allooi en emplooi in de hedendaagse volksmond te ongangbaar zijn om voor de oprechte varianten alloor en emploor in aanmerking te komen.

Oh, toch eentje. Maar gezien dat meet erna hebben we hier waarschijnlijk met een deadlinegestreste eindredactie van doen:

Toevoeg: Nog een beetje verder struinend krijgt men de indruk dat pleidoor bepaald niet van vandaag of gisteren is. Hierboven linkte ik al een paar wat oudere krantengevallen, maar deze is zelfs uit 1887!

Tevens 1931 resp. 1933:

Zou het dan misschien toch niet zo’n fout zijn (geweest) als ik denk? Net als dat met die De dag die je wist dat zou komen-constructie?

Plaidoyé

Update: Aha! Dankzij Henk Bakkers reactie van zoëven heb ik het WNT er eens bij gehaald en maak daaruit op dat er in de vijftiende eeuw daadwerkelijk een woord pleidoor heeft bestaan. Weliswaar betekende dat niet “pleidooi” (volgens etymologiebank.nl komt dat namelijk van plaidoyé, de verzelfstandigde vorm van Frans plaidoyer) maar “plaats waar gepleit wordt” (vergelijk dezelfde -oor-uitgang in kantoor), maar dan is er in ieder geval wel een kandidaat voorhanden die kruisbestuiving heeft kunnen veroorzaken. Kijkkijk, dan komen we misschien dichter bij een soortement verklaring! Nog steeds een wondere woordwandel en je kunt je afvragen of die oude term inderdaad de oorzaak is van het hedendaagse gebruik (ook omdat de -oor-uitgang van kantoor e.d. teruggaat op Frans -oir, niet -oyer), maar goed, etymologie doet soms gekke dingen.

Pleidoyer

Een nog simpeler verklaring zou zijn (andermaal dank aan Henk): pleidoor is rechtstreeks ontstaan uit het zelfstandige gebruik van het werkwoord plaidoyer, wat Van Dale geeft als herkomst van pleidooi. Dus le plaidoyer = “het pleiten”, oftewel “het pleidooi”. Dat zou die -r aan het eind verklaren, die plaidoyé niet heeft. Wel vind ik het dan nog steeds eigenaardig dat de bronnen hier niets expliciets over melden. Je zou dan toch iets van een mededeling verwachten als “naast pleidooi kwam/komt ook pleidoor voor”. Maar misschien moet ik harder zoeken.

Requisitooi

Meer: Het moet toch niet maller worden. Ik ging eens kijken of de ooi/oor-variatie dan bijvoorbeeld ook de andere kant op werkt, en wie schetst mijn verbazing: jawel hoor (p. 97 op eenderde):

Grappig genoeg lijkt de context hier te doen vermoeden dat de auteur juist pleidooi bedoelde – al kan het natuurlijk zijn dat hij expres voor een contaminatie heeft gekozen.

Toernoor

Och ja, en in de familie van Fransherkomstige ooi-woorden heb je natuurlijk ook nog toernooi/tournooi; die was ik even glad vergeten. Maar komaan, u gaat mij toch niet beweren dat die ook met -r voorkomt? Nou. Wel degelijk dus:

Vooruit, dit kan natuurlijk weer een typfout zijn (zie het gebruik van beide spellingen door elkaar heen in het laatste voorbeeld), maar net als pleidoor komt hij dan toch wel verdacht vaak voor.*

* Ook waar niet de toernoor wordt bedoeld.

Frisse Myst

Oehh. Cyan, de makers van Myst, hebben zojuist aangekondigd dat ze een remake van Myst in de maak hebben. Geheel opgefrist naar de eenentwintigste eeuw, met strakke graphics & audio, desgewenste puzzelrandomisatie en wat niet al.

Wat jammer toch dat je bij zoiets nooit meer de bijbehorende graad van absolute kinderwonder van de eerste keer kunt terughalen, blaségeslagen en magie-geïnflateerd als men doorheen het al dan niet computerende leven helaas raakt, maar dat neemt niet weg. Op de verlanglijst daarmee!

Mag ik overigens net zo fris oud worden als zijn spellen als Rand Miller?

Endangered Alphabets

Dankzij een collega leer ik zojuist over de Atlas of Endangered Alphabets. Fascinerende schriftsystemen wier voortbestaan onzeker is, van soms beduidend creatieve aard!

Kijk dit dan bijvoorbeeld: Ditema tsa Dinoko, een ornamentief schrift waar je dingen in Bantoetalen mee kunt schrijven. Je zou toch zweren dat een zekere bepaalde niet nader genoemde onderhavige taalverzinblogger dat bedacht heeft.

Of het minstens zo onpraktische maar daarom niet minder speelse Avoiuli uit Vanuatu, geïnspireerd op zandtekeningen die in één vloeiende lijn dienen te worden getrokken:

Maar ook allerhande “gewone” schriften die al vele eeuwen meegaan. Zoals Hanunuo van de Filipijnen:

Of het Chinese Nüshu, van oudsher louter gebruikt door vrouwen:

En nog veel meer wonderlijks. Ik zou zeggen, blader eens lustig in de rondte daar (er is ook een blog), en overweeg eventueel om een steentje bij te dragen aan het behoud van deze unieke schriften, en daarmee het cultuurgoed van de mensen die ze gebruiken.

Vincent Bijlo en Ger Jochems over Borát (o.a.)

Vincent Bijlo, Ger Jochems en een radio

Ik kwam langs de podcast Hallo Hier Hilversum door Vincent Bijlo en Ger Jochems, gewijd aan de afgelopen eeuw (gerekend vanaf 2019, want de pod is alweer geruime tijd uit de cast) Nederlandse radio. Goedgemutst gekeuvel over fragmenten van weleer, ik vind het wel vermakelijk.

Maar dat ze dus ook een itempje aan Borát besteden, dus dat mijn keiharde fans (ze komen nog altijd af en toe langswaaien) dat vast ook wel leuk vinden. Bij dezen:

Dit is een plaatje. Ik weet niet hoe je een podcast embedt. Klik op het plaatje.

PS. En ik deel volmondig mijns vaders kritiek (“Wij noemden dat gewoon radioreportages”) inzake het spuuglelijke woord podcast. Kennewedaarniewatandoendan? Inzendingen graag naar Postbus 6, 1200 AA te Hilversum.

Taaldrab 38: Deze coronatijd

Klein taalobservatietje (tietje, hihihigiechel): in deze wonderlijke tijd kom je geregeld opmerkingen tegen van de vorm in deze x tijd[en], waarbij x dan bijvoorbeeld voor “moeilijke”, “vreemde”, “beangstigende”, “klote-” of “corona-” kan staan. Waar mij een intrigerend discrepantietje (gigigignuif) treft, in de zin van taalgevoelreactie.

Kijken of u ’m ook ervaart. Vergelijk:

  1. Sterkte in deze moeilijke tijd.
  2. Sterkte in deze coronatijd.

Bij zin 1 blik of bloos ik taalmatig op geen enkele wijze. Dank dank, wij doen ons best. Tegen zin 2 echter roept mijn onderbuik: Hoezo alleen deze coronatijd? Krijg ik geen sterkte in de volgende?

Uiteraard, ik snap heus wel dat dat niet de bedoelde strekking van zin 2 is. Maar vanwaar dan dat verschil in respons van mijn talige antennetje (gniffeldegnif – o wacht, die is helemaal niet grappig) ten opzichte van zin 1, waar zich eenzelfde flauwe repliek in het geheel niet aandient?

Het antwoord is voor mij in ieder geval niet: bij zin 1 heb je een bijvoeglijk naamwoord (moeilijke) en bij zin 2 een samenstelling met een zelfstandig naamwoord (corona-), want dan zou ik dezelfde reactie moeten hebben op Sterkte in deze klotetijd. Wat niet het geval is: die vind ik volstrekt onopmerkelijk.

Ook met het sterkte heeft het niets te maken: m’n reactie is dezelfde op alle varianten van deze coronatijd, of het nu om harten onder riemen, de zon op je gezicht of geurkaarsen gaat.

Dus wat speelt hier precies? De oplossing zal ongetwijfeld iets van doen hebben met het beperkend versus uitbreidend gebruik van deze, maar ik ben er nog niet helemaal uit waardoor het onderscheid dan wordt getriggerd. U ideeën? Deelt u überhaupt mijn hoofdkrabbing? Benieuwd.